Column: Pleinvrees

Er heerste een stilte zoals je die mag verwachten tijdens de grote schoolvakantie. Er reden bijna geen auto’s, er stonden veel minder fietsen in de rekken en er was bijna geen publiek. Ik liep rond op het Plein, sommigen zeggen Stadshart. Het was donderdag, einde middag en ik had afgesproken bij één van de eettentjes onder het hoge appartementencomplex, recht tegenover de bieb. Ik geloof dat het Day heet, of misschien N8, in ieder geval iets hips, maar de namen veranderen daar nogal eens dus heel zeker weten doe ik het niet.

Ik kwam aangelopen vanaf de V&D maar dat heet straks ook anders, hoe weet ik niet en ik denk dat het gebouw in de volksmond gewoon voor altijd ‘de V&D’ blijft heten, en vond de stilte gek voor op het winkelcentrum, maar ook wel fijn. Ik liep via de schoenenman, die ene op dat hoekje, rechtdoor, langs een winkel met allemaal snoep, mijn god, was dat nu de Jamin, en toen langs een sportschoenenzaak met allemaal, nou ja, sportschoenen dus, om vervolgens bij het volgende winkelpand, of was ik er inmiddels alweer één gepasseerd, te kijken naar allemaal euh…schoenen.

Links van mij zag ik nu een winkel met zesmiljoenmiljard kralenkettinkjes en andere meisjesdingen, toen een kledingzaak, nog meer schoenen, hee, de Blokker, bestaat die nog, rechts de hoek om langs de WE, waar niemand binnen was behalve twee verkoopsters, zich vervelend. In het middenstuk waar de juwelier zit, of zat (is die ook al weg?), is nu een WiFi-zone, tenminste dat denk ik want iedereen die daar zat tuurde op zijn schermpje, de nieuwe ziekte.

Rechts van mij een winkel waar jonge meisjes en vrouwen met te veel wit en goud op of aan zich stonden te bedenken welke kleur lippenstift ze in hemelsnaam nu weer eens moesten gaan kopen, en gelukkig, een herkenbaar punt, recht voor mij de HEMA. Met z’n worst.

Linksaf langs de Perry (was die niet failliet? Ik weet het niet meer), rechtdoor de gang in met zijn kinderspeelgoedwinkels -of is het er inmiddels één?-, via de lekkere geuren van de Tuinen en de notenboer richting uitgang. Ik besefte me dat ik was omgelopen, ik had beter via de uitgang bij de Zara gekund, maar het was toch stil en ik te vroeg.

Er waren genoeg lege stoelen op het terras van Day, verdomd zo heet het, dus ik pikte een plekje in de zon. Ik keek wat rond en zag de leegte van het winkelcentrum nu in al haar glorie: er liep geen mens over het stuk plein tussen mij en de bieb, er stonden wat fietsen onder de bomen, links, en een oude, grijze taxichauffeur las een boek in zijn veel te grote Mercedes. Niemand.

Naast het postkantoor, oh nee dat zat daar vroeger, een leegstaand pand, nu te huur. Heel groot pand, voormalige kledingzaak. Hadden dit pand laten vallen want te duur, weet ik uit eerste hand. Toch zonde, dacht ik. Kleine ondernemers zouden een moord doen voor zo’n plek, maar ja, niet te betalen.

Mijn afspraak liet niet lang op zich wachten, ik bestelde zijn eerste en mijn tweede biertje, en al snel spraken we over de gezelligheid op het Plein. Of liever, het gebrek daaraan.

Niet heel veel later besloten we om de volgende keer af te spreken in het Oude Dorp, dat gewoon nog Oude Dorp heet, in een kroeg waarvan we de naam weten, Thijs, en we de eigenaar kennen, Sjors. Waar je mensen tegenkomt, hangend aan de buitentafels, er mensen langsfietsen die je al heel lang kent, waar er naar elkaar gezwaaid wordt en er gelachen wordt om iemands flauwe mop. Waar je niet hoeft te vragen of er een bonnetje voor je gemaakt wordt, die ligt al klaar na je eerste bestelling, en er niet moeilijk wordt gedaan als je even naar die andere kroeg loopt, het Wapen, met je biertje, omdat je daar ook weer een oude bekende ziet staan.

Het Plein is nooit het Stadshart geworden. In het hart van een stad is het warm, gezellig, je komt er bekenden tegen en je spreekt er graag af omdat de barman je bij naam kent. Die zonder het te vragen je favoriete drankje voor je maakt en aan je serveert, en die je heel soms een drankje aanbiedt. Omdat je zo graag in zijn of haar tent komt. Op het Plein kom je alleen voor de broodnodige zaken, een HEMA-worst.

Ik pak straks mijn brommertje en rij even naar de kroeg. Zie je daar.

Hugo Baudert

Hugo Baudert, uit het mooie wijnjaar 1970, is een echte Amstelvener. Geboren op de van Heuvengoedhartlaan, opgegroeid in Waardhuizen en rondgezworven door het Oude Dorp en Westwijk, even uitgevlogen richting Amsterdam, is hij nu geland in de Bankrasbuurt.

Het grootste deel van zijn leven werkzaam ‘in de reclame’, heeft hij wat lopen klooien met hout, tapte hij biertjes maar is hij nu als zelfstandig copywriter aan het werk. Dat doet hij met  www.verhaalmeteenbaard.nl. Onbescheiden zegt hij: ,,Ik ben gewoon dé creatieve geest die elk bedrijf nodig heeft.” Jij zegt het Hugo!