Column: Pas op, eikel!

Ik ben van het bouwjaar 1969 en heb deze maand Abraham mogen zien. Van tevoren maakte ik me er een beetje druk om, maar Abraham zien valt eigenlijk best wel mee. Een meer dan uitstekend feestje doet wonderen in zo’n geval.

Nou zijn er mannen, die het opeens enorm op hun heupen krijgen als ze de vijftig zijn gepasseerd. Ze worden niet alleen kaal en dik, maar halen ook nachten door in de kroeg, schaffen opeens een motor aan en willen nog even snel de rest van de wereld zien. En in hele extreme gevallen, willen ze ook nog een nieuwere mevrouw ‘op hun heupen krijgen’. Letterlijk op hun heupen en dan bij voorkeur een mevrouw die de komende 15 jaar nog geen Sarah ziet.

Deze Abraham heeft daar gelukkig geen last van. Het bevalt mij thuis meer dan uitstekend met mijn ik-ben-nog-láng-geen-Sarah en al die andere op-je-heupen-dingetjes zijn al lang geleden afgevinkt van mijn bucketlist. Maar toch is er wel íets veranderd. Die afgelopen vijftig jaar zijn mij namelijk zo goed bevallen, dat ik heel graag nog zo’n zelfde portie levensvreugde bestel. Alleen gaat zoiets niet vanzelf en al helemaal niet met mijn fysiek. En dus ben ik aan het sporten geslagen. Nou ja, sporten. Zo mag je het in deze fase eigenlijk nog niet noemen. Ik wandel en ik fiets. Doordeweeks wandel ik ‘s avonds door de Westwijk en door Bovenkerk. En in het weekend, als het licht is overdag, stap ik op de fiets voor een rondje langs onze stadsgrenzen. Ik zit er trouwens aan te denken om eind november die avondwandelingen in een Sinterklaas-kostuum te doen. En dan zo nu en dan ‘Amerigo, Amerigo, waar zit je? Amerigo, kutbeest, kom hier!’ richting de daken te roepen. Vind ik humor. Maar goed, fietsen en wandelen dus om er nog een mooi extra portie levensvreugde aan vast te plakken.

Zo fietste ik deze zondag dus weer eens een rondje bos. Bij de Urbanus zou ik het bos achter mij laten en rechts afslaan richting de Westwijk. U weet wel, dat stukje met die steile brug tussen de kleine en grote Poel en het zebrapad bij Silversant. En daar liepen ze. Gezinnetje van vier. Papa met dreumes van een jaar of vier-vijf en 15 meter verderop mama met een dreumes van 1 of 2 jaartjes jonger. De kleintjes hadden hun knalgele regenjasjes aan met hun puntmusjes op. Een paar fleurige regenlaarzen maakte het sprookjesachtige plaatje compleet. Het is omdat kaboutertjes met gele puntmusjes niet bestaan, maar anders.

Het gezinnetje wandelde op het fietspad, dus ik minderde vaart. Niet dat ik zo snel ging hoor, maar als vader weet ik welke onverwachte sprongen kinderen kunnen maken. Stapvoets kwam ik op het gezelschap af en liet mijn fietsbel zijn werk doen. In een flitsende beweging pakte de papa zijn dreumes bij zijn schouder en keek verschrikt achterom. Zijn boze blik naar mij was schijnbaar voor het rinkelen van mijn fietsbel. Nog steeds stapvoets fietsend ging ik de twee voorbij en zei zachtjes tegen hem ‘sorry hoor, maar het is een fietspad’. Als reactie kreeg ik een nog bozere blik van hem. Lekker dan, wetende dat 15 meter verderop zijn vrouw met de andere dreumes liep en mij nog niet in de gaten had.

En ook hier precies hetzelfde ritueel. Wederom stapvoets naderde ik deze twee en liet ook nu mijn fietsbel op tijd zijn werk doen. En ook hier een geschrokken reactie van de ouder, waarbij ook deze dreumes in een flits bij de schouder werd gegrepen. Op mijn ‘sorry, het is een fietspad’ werd ook nu weer gereageerd met een zeer boze blik. Maar dat niet alleen. Toen ik ook deze twee stapsvoets en met genoeg ruimte gepasseerd had, kreeg ik nog een zeer uitgesproken ‘Pas op, eikel!’ richting mijn hoofd. ‘Laat maar gaan’ dacht ik twee tellen lang, maar ook vijftig jaar oud bloed kruipt nou eenmaal waar het niet gaan kan. Een paar meter verder stopte ik en keek achterom. Binnen no-time stonden boze papa en boze mama voor mijn neus, hun kinderen alleen achterlatend op het fietspad.

Of ik wel helemaal goed bij mijn hoofd ben? Je ziet toch dat we hier met kinderen lopen? Eikel!

En dat allemaal voor het rinkelen van mijn fietsbel en het stapvoets naderen en passeren van dit stukje gezinsgeluk. Ook ik kan uit mijn slof schieten en helemaal als ik denk dat ik in mijn recht sta, maar twee gele puntmutsjes in mijn ooghoek deden mij besluiten om nu vooral kalm te blijven. Ik legde boze papa en boze mama uit dat zij op een fietspad liepen, ik mijn fietsbel liet rinkelen en hen stapvoets passeerde. Tot drie keer toe heb ik hen dit rustig uitgelegd, of in ieder geval geprobeerd uit te leggen, maar het mocht allemaal niet baten. Ik kreeg het allemaal naar mijn hoofd; boze blikken, eikels, hoe-kun-je-dit-doen’s en wat-bezielt-je’s. Ik keek eens over mijn schouder en zag twee eenzame gele puntmutsjes alleen op het fietspad staan. Een fietspad waarop van in de verte al meerdere fietsers onze kant op kwamen. ‘Als jullie echt zo zuinig op jullie kinderen zijn, ga dan op een voetpad met ze lopen. En laat ze vooral niet alleen op een fietspad achter, als er fietsers aankomen.’ Geschrokken keken zij achterom en zagen twee eenzame gele puntmutsjes op een drukker wordend fietspad staan.

En misschien was dit wel het meest interessante moment van deze idiote confrontatie. Het liefst wilden ze hun onterechte woede nog even verder op mij botvieren. Er zijn namelijk mensen die als ze een fout begaan en betrapt worden, geen sorry willen zeggen. Of kunnen zeggen. Nee, in tegendeel zelfs. Ze proberen met een hoop kabaal en agressie hun gelijk te halen, waarschijnlijk al lang realiserend dat ze er volledig naast zitten. De omgekeerde wereld- of Trump-methode; een hoop kabaal, lawaai en stampei maken, ongeacht of je de feiten en het gelijk aan je zijde hebt.

Maar op het moment dat ze hun onterechte woede op mij wilde botvieren, stonden er verderop ook twee dreumesen hulpeloos op hun boze papa en boze mama te wachten. En het was toch het welzijn van deze dreumesen, waardoor boze papa en boze mama nu zo onterecht voor mij stonden te stampvoeten. Wat te doen nu? Ik zag de twijfel in de ogen van boze papa en ik zag de twijfel in de ogen van boze mama. En ik genoot van hun twijfel. Tot in mijn tenen genoot ik van hun twijfel. Je dreumesen achterlaten om een gelijk te halen dat je helemaal niet hebt. Nee, dán ben je echt een paar geweldige ouders. Door twee eenzame gele puntmutsjes op het fietspad moesten boze papa en boze mama hun onterechte idioterie naar mij nu wel opgeven.

Ze draaiden snel om en in versnelde pas liepen ze terug naar de eenzame gele puntmutsjes op het fietspad. Inmiddels iets minder boze mama keek nog even vluchtig over haar schouder mijn kant op. Misschien zag ik het wel helemaal verkeerd hoor, maar ik kreeg de indruk dat de boze blik in haar ogen enigszins had plaatsgemaakt voor een licht verontschuldigende blik naar mij. ‘Sorry’ stond nu zeker even niet in haar vocabulaire, maar haar blik was voor mij voldoende.  Ach, dacht ik, de redelijkheid en het gezond verstand zal nog vast nog wel een keertje zegevieren bij boze mama en boze papa. En hopelijk ook nog voor hun vijftigste.

Jeroen Franken (1969) noemt zichzelf een Beroeps-Amstelvener van de 4e generatie. Als zoon van een duivenmelker zag ie ze vliegen in de Oude Karselaan, vloog ie zelf uit naar het Uilenstede, Keizer Karelpark en Middenhoven, maar is alweer jaren geleden in de Westwijk geland, samen met Natasha en hun zoon Bobby.

Als ondernemer en ‘online druktemaker’ doet hij iets met Social Media, mag hij zich Officieel LinkedIn Ambassadeur noemen en is hij ‘bestuurslid op sneakers’ bij de Ondernemersvereniging Amstelveen. Bij voorkeur spreekt, traint en schrijft hij over social media, LinkedIn en ondernemen, maar voor RTVAmstelveen schrijft hij graag over ‘zijn’ Amstelveen.

(follow via @BlueFishConsult & info via DeLinkedinExpert.nl)